In Chiquitita, bekroond met de Noorse Riksmål-prijs, verweeft Pedro Carmona-Alvarez herinnering, verlies en taal tot een roman die niet alleen leest als literatuur, maar ook als overlevingsstrategie. Hoofdpersoon Marisol is een vrouw die terugkijkt op een leven dat nooit echt begonnen lijkt te zijn – een leven dat haar als kind al uit handen glipte toen haar geboorteland ineenstortte en ze met haar ouders op de vlucht sloeg. Wat volgt is geen lineair vluchtverhaal, maar een grillige, verpletterend menselijke reconstructie van wat het betekent om nooit echt ergens aan te komen.
Marisol is tegelijk vrouw, jong meisje en kind: een personage in meerdere tijdlagen, gevangen in een cirkel van herhalingen. Ze praat met een therapeut, mijmert over haar eerste liefde in een museum, denkt terug aan haar kindertijd in een land dat nooit bij naam genoemd wordt, maar onmiskenbaar Chili is. Daar groeit ze op in een huis vol stemmen, plannen, muziek – tot het land instort. Haar gezin vlucht, eerst naar de hoofdstad, dan naar een buurland waar ze maanden in een “hotel” wonen, dat eerder aan een opvangkamp doet denken. Uiteindelijk komen ze aan in Noorwegen.
Wat Carmona-Alvarez briljant laat zien, is dat vluchten geen hoofdstuk is, maar een structuur: Marisol blijft het kind dat ze was, en haar volwassen zelf blijft schipperen met wat er is gebeurd, wat ze zich herinnert, en wat ze liever verdringt. “Ik draag een groene trui,” zegt ze steeds opnieuw. De taal cirkelt, schuift, schuurt. Steeds is het net alsof er iets op het punt staat uitgesproken te worden – maar dan kantelt de scène weer.
De kracht van de roman zit niet in een klassieke spanningsboog, maar in de taal zelf. Carmona-Alvarez schrijft in korte, precieze zinnen, vol beelden die bijblijven: een woonblok als een suikerklontje, een vallend blad als een tong die ijs likt, schaduwen met gezichten “achter handpalmen verstopt”. De taal is geen sier, maar noodzaak – voor Marisol om te overleven, voor de schrijver om het onzegbare te benaderen.
Chiquitita is niet alleen een roman over trauma, maar ook over schoonheid, liefde en overleven. Marisol maakt gruwelen mee, maar herinnert zich ook de warmte van haar oma, het eerste moment van verliefdheid, de kleur van een trui. De contrasten maken alles – zowel het goede als het verschrikkelijke – even ongrijpbaar.
Pedro Carmona-Alvarez laat zien dat het verleden niet achter je ligt, maar in je meereist. Dat een kind niet vergeten wordt, ook al doet de volwassene haar best. En dat taal – hoe stamelend ook – misschien het enige is dat we hebben als alles verdwijnt.
Benieuwd naar het boek? Klik hier om het te kopen!