Zet de gezondheid van duizenden mensen in één grafiek en de lijn loopt met de jaren meestal omlaag. Dat beeld is niet onjuist, maar wel onvolledig. Een nieuwe studie van Yale laat zien wat er verdwijnt wanneer onderzoekers alleen naar het gemiddelde kijken: een verrassend grote groep mensen gaat op latere leeftijd juist vooruit.

Onderzoekers Becca Levy en Martin Slade gebruikten gegevens van meer dan 11.000 Amerikanen van 65 jaar en ouder uit de Health and Retirement Study. De deelnemers werden tot twaalf jaar gevolgd.
De onderzoekers keken naar twee meetbare functies. Cognitie werd beoordeeld met een brede test van het denkvermogen. De lichamelijke functie werd gemeten aan de hand van loopsnelheid. Dat is een eenvoudige maat, maar wel een die veel zegt over zelfstandig functioneren en gezondheid.
De uitkomst was opvallend. In de studie, gepubliceerd in Geriatrics, verbeterde 45,15 procent van de deelnemers in ten minste één van de twee domeinen. Ongeveer 32 procent ging vooruit op de cognitieve test en 28 procent liep na verloop van tijd sneller. De meeste mensen verbeterden op één terrein, niet op allebei.
Wanneer je alle deelnemers samenneemt, zie je nog steeds een algemene achteruitgang. Dat is precies het probleem dat de onderzoekers willen blootleggen. Een gemiddelde beschrijft een groep, maar geen individueel levensverloop.
Iemand die langzamer gaat lopen, iemand die stabiel blijft en iemand die juist sneller wordt, kunnen samen één dalende lijn opleveren. Daardoor lijkt verbetering een zeldzame uitzondering, terwijl bijna de helft van de deelnemers op ten minste één gemeten terrein vooruitging.
Ook mensen die aan het begin normaal functioneerden, konden later verbeteren. De uitkomst was dus niet alleen het gevolg van herstel na ziekte of een tijdelijke terugval. Volgens de toelichting van Yale School of Public Health kan er op latere leeftijd meer reservecapaciteit zijn dan veel modellen veronderstellen.
Aan het begin van het onderzoek vulden deelnemers vijf vragen in over hun beeld van ouder worden. Ze reageerden bijvoorbeeld op stellingen over geluk en het gevoel nog van nut te zijn. Mensen met positievere ideeën over ouder worden bleken later vaker cognitief of lichamelijk te verbeteren.
Dat verband bleef zichtbaar nadat de onderzoekers rekening hielden met onder meer leeftijd, geslacht, opleiding, chronische ziekten en depressieve klachten. Toch is dit geen bewijs dat optimisme je vanzelf sneller laat lopen of scherper laat denken. Het onderzoek was observationeel. Misschien bewegen mensen met een betere gezondheid zich gemakkelijker in omgevingen die hun beeld van ouder worden positiever maken. Ook andere, niet gemeten verschillen kunnen een rol spelen.
De studie keek bovendien alleen naar loopsnelheid en een algemene cognitieve test. Die twee maten vertellen niet alles over spierkracht, evenwicht, geheugen of dagelijks functioneren. De deelnemers kwamen uit de Verenigde Staten en de onderzoeksgroep was relatief wit. De cijfers zijn daarom niet één op één naar iedere bevolking te vertalen.
De nuttigste boodschap is niet dat ziekte of verlies een kwestie van instelling is. Dat zou zowel onjuist als onvriendelijk zijn. Het onderzoek laat iets anders zien: achteruitgang is mogelijk, maar verbetering ook. Wie ouder worden uitsluitend als verval beschrijft, laat een aantoonbaar deel van de werkelijkheid weg.
Je kunt daar klein mee beginnen. Let een week lang op de woorden die je voor je eigen leeftijd gebruikt. Zeg je dat iets niets meer voor je is voordat je het hebt geprobeerd? Beschouw je een vergeetmoment direct als bewijs van achteruitgang? Vergelijk jezelf vervolgens niet alleen met tien jaar geleden, maar kijk ook naar wat je het afgelopen jaar hebt geleerd, hersteld of opgebouwd.
Een lichaam en brein zijn geen project dat voortdurend beter moet. Het is al genoeg om ruimte te laten voor de mogelijkheid dat ontwikkeling niet op een bepaalde verjaardag stopt.