Er zijn boeken die je als lezer vormen—en je later, bij herlezing, terugduwen met een hand die je destijds niet voelde. Ernest Hemingway’s The Sun Also Rises (1926) is zo’n roman: een sleuteltekst van het modernisme, strak gesneden als een scheermes, die tegelijk een sociale wereld bouwt op vernedering, uitsluiting en haat. In januari 2026 vatte schrijver Akhil Sharma dit in The New Yorker samen met een zin die blijft haken: hoewel Hemingway’s roman positieve claims maakt over hoe je zou moeten zijn, wordt de architectuur “primair overeind gehouden door haat.”

Dat is geen modieuze herbeoordeling, geen hedendaagse “woke” reflex. Het is een diagnose van de motor die de roman laat draaien. En juist omdat het boek zo briljant is vormgegeven, moeten we precies kijken: wat maakt het literair zo overtuigend—en wat doet die overtuigingskracht met het moreel bedenkelijke materiaal dat het draagt?
Je hoeft geen Hemingway-adept te zijn om te zien waarom The Sun Also Rises een werkplaats van moderne proza-techniek werd. Sharma beschrijft hoe hij als tiener eerst niets voelde bij de “vlakke” stijl, en pas bij langzaam herlezen merkte hoe elke zin als een afgerond object kan aanvoelen—“als een glad steentje”—zelfs wanneer de vertelstem je meteen op een vreemd, intiem “jij” aanspreekt en je daarmee uit balans brengt.
Dat is Hemingway’s kernkwaliteit: de tekst doet alsof hij niets doet. De zinnen zijn kort, het vocabulaire alledaags, de scènes lijken simpelweg te gebeuren. Maar die eenvoud is niet naïef: het is compositie. In cafés en bars—waar stemmen door elkaar lopen en je als lezer “tussen de pratende mensen” hangt—bouwt Hemingway een choreografie van aandacht: wie kijkt naar wie, wie is buitengesloten, wie doet alsof hij erboven staat. Sharma noemt die passages tegelijk schokkend briljant en adembenemend mooi.
En dan is er de mythische dimensie: Pamplona, het stierenrennen, de arena. Het boek contrasteert stad en ritueel, drank en discipline, pose en “echtheid”. Zelfs in een samenvattende, encyclopedische beschrijving van de roman klinkt dit: de roman onderzoekt liefde, dood, mannelijkheid en het herstellende (of verdovende) vermogen van natuur—en demonstreert de “spare writing style” die Hemingway’s reputatie stempelde.
Het probleem is niet dat dit allemaal onwaar is. Het probleem is dat het boek die idealen—moed, gratie, beheersing—telkens weer verankert in een sociale hiërarchie van minachting.
Sharma’s herlezing begint bij het eerste alarmpunt: de opening zet Robert Cohn neer met een opmerking over zijn neus, “verbeterd” omdat hij gebroken werd—en Sharma noemt het bij herlezing “virulent antisemitisch.” Dat is niet alleen een losse belediging. Het is een signaal: deze roman laat je meteen voelen wie “in” is en wie “uit” is, en hij gebruikt Cohn als proefpersoon.
Daar zit een structurele truc: de vertelstem (Jake Barnes) bouwt autoriteit op door iemand anders te kleineren. De lezer wordt verleid om mee te knikken: ja, die Cohn is lastig; ja, hij begrijpt “het” niet. Maar het boek maakt die leesreflex zélf onderdeel van de ervaring—en daarmee ook van de schade.
Dat dit al decennia onderwerp is van serieuze kritiek, blijkt uit wetenschappelijke literatuur. In een veelgeciteerd artikel in The Hemingway Review wordt antisemitisme in The Sun Also Rises expliciet geanalyseerd, inclusief de waarschuwing om verteller en auteur niet achteloos samen te laten vallen—een belangrijk, maar niet bevrijdend onderscheid. Een later academisch stuk over herlezingen van Hemingway’s antisemitisme wijst erop hoe de figuur Cohn teruggrijpt op stereotype beeldvorming en waarom dat “infame” karakter is gaan meedragen in het debat. En buiten de academie, in educatieve contexten, wordt dezelfde spanning benoemd: hoe lees je een roman die je op pagina één al dwingt een Joodse man als karikatuur binnen te stappen?
Kort gezegd: het boek creëert een gemeenschap—Jake en “zijn” mensen—door consequent een buitenstaander te produceren.
Wie The Sun Also Rises verdedigt, zegt vaak: “Het is de tijd.” Maar “tijd” verklaart niet waarom het boek die houding nodig heeft om zijn morele universum te stabiliseren.
Sharma benoemt het onomwonden: naast antisemitisme is er “misogynie, natuurlijk,” en ook homofobie—waarbij de verteller wel erkent dat je tolerant hoort te zijn, maar vervolgens toegeeft dat homoseksuele mannen hem woedend maken en hij er “op wil slaan” om hun “superieure, grijnzende zelfbeheersing” te breken. Die passage circuleert ook in studiegidsen omdat ze zo duidelijk laat zien hoe mannelijkheid in de roman geformuleerd wordt als prikkelbaarheid, jaloezie en agressie—een identiteit die zich bewijst via afwijzing.
En daar wordt Sharma’s “architectuur”-metafoor scherp: dit zijn geen incidentele “foute woorden” die je met een voetnoot wegpoetst. Ze functioneren als draagconstructie. Het boek test voortdurend wie waardig is om bewonderd te worden en wie dient als afvalput voor irritatie.
Hemingway is op zijn best wanneer hij laat zien dat gebeurtenissen niet netjes opgaan in lessen. Sharma haalt een passage aan over een man die door een stier gedood is—en dan volgt een administratieve opsomming van de stier, het nummer, het fokbedrijf, de matador, het afgesneden oor, het handkerchief, en uiteindelijk: rommel in een lade. Sharma leest dit als een moment waarop de roman—heel even—laat zien dat “bravery” in de arena geen morele helderheid garandeert buiten de arena.
Maar volgens Sharma trekt Hemingway daar niet de consequentie uit. De roman “knikt” naar die wijsheid en gaat vervolgens door met de suggestie dat stoïcisme, mannelijk ritueel (vissen, stierenvechten) en het cultiveren van een bepaalde smaak je uit morele chaos kunnen redden.
Dat is de kortsluiting: het boek kan scherp observeren dat dingen “alleen zichzelf” zijn, maar wil tegelijk een ethiek bouwen op stijl. En waar stijl het ethisch fundament moet worden, sluipt uitsluiting binnen: wie de stijl niet bezit, wordt minder mens.
De makkelijkste uitweg is cancelen; de meest luie is vergoelijken. Beide missen wat er werkelijk op het spel staat: The Sun Also Rises is zowel een les in proza als een document van sociale wreedheid die zich als “cool” vermomt.
Een volwassen leespraktijk doet minstens vijf dingen:
Sharma eindigt teleurgesteld—in het boek, en in zichzelf als lezer—en twijfelt of herlezen “de irritatie” nog waard is. Die twijfel is niet kleinzielig. Het is misschien de eerlijkste positie tegenover een klassieker die zijn eigen elegantie inzet om je medeplichtig te maken aan minachting.
The Sun Also Rises blijft een sleutelroman omdat hij laat zien hoe modern proza kan functioneren als morele performance: je wordt niet alleen een verhaal ingestuurd, je wordt een houding aangeleerd. En precies daar zit de “badness”: het boek leert je—subtiel, aanstekelijk—dat gratie soms een masker is, en dat een “wij” vaak gebouwd wordt door ergens anders een “zij” te laten bloeden.