Er was eens een kind dat heel open werd geboren. Met ogen die alles voelden. Met een hart dat geen onderscheid maakte tussen zichzelf en de wereld.

Afbeelding door Erik Voncken
Dat kind kwam niet met een masker.
Het kwam met vertrouwen.
Maar het merkte al vroeg dat de lucht in een ruimte kon veranderen.
Dat stilte zwaar kon worden.
Dat er spanningen bestonden zonder woorden.
Het begreep de verhalen niet altijd,
maar het voelde de onderstroom feilloos.
En omdat het afhankelijk was van liefde,
werd voelen een vorm van veiligheid.
Het ontdekte langzaam:
Als ik zachter ben, blijft het rustig.
Als ik flink ben, maak ik niemand bezorgd.
Als ik aanvoel wat de ander nodig heeft, hoor ik erbij.
Zo leerde het kijken vóór het sprak.
Afstemmen vóór het bewoog.
Aanpassen vóór het zichzelf volgde.
Niet uit zwakte.
Maar uit wijsheid.
Wat toen bescherming was,
werd later een manier van zijn.
Voordat ik kon begrijpen wat van mij was en wat niet,
was ik dat kind.
Ik leerde niet met woorden, maar met voelen.
Ik leerde de ruimte lezen.
Ik leerde dat verbinding soms betekende: mezelf iets kleiner maken.
Niet omdat iemand mij dat opdroeg,
maar omdat mijn gevoeligheid sneller was dan mijn bewustzijn.
Ik nam spanningen waar alsof ze van mij waren.
Zo werd afstemmen vanzelfsprekend.
Zo werd dragen een vorm van liefde.
En pas veel later begon ik te zien
dat wat ik zo trouw had gedragen,
niet altijd van mij was.
In de tweede helft van mijn leven begon ik te zien wat ik als kind had aangeleerd.
Ik had geleerd mij af te stemmen op de behoeftigheid van de ander.
Niet bewust — het gebeurde gewoon.
Mijn gevoeligheid werd mijn antenne.
Ik voelde wat er in de ander leefde — vaak nog voordat het werd uitgesproken.
Wat ik niet wist,
was dat ik daarmee langzaam het contact met mijn eigen innerlijke kompas verloor.
Alles wat als spanning, boosheid of afwijzing voelde, nam ik in mij op.
Ik dacht dat het van mij was.
Dat ik iets moest herstellen.
Dat ik niet goed genoeg was.
Pas veel later ontdekte ik:
een groot deel van wat ik droeg, hoorde niet bij mijn kern.
Het kwam voort uit de innerlijke strijd van de ander.
Uit onzekerheid.
Uit onvervulde verlangens.
Uit een diep gevoel van tekort.
Sommige mensen leven vanuit een innerlijke hoogmoed:
niet in arrogantie,
maar in de drang om groter te lijken dan ze zich vanbinnen voelen.
Alsof zij zichzelf moeten bewijzen.
Alsof zij geen kwetsbaarheid mogen tonen.
Onder die spanning leeft vaak een voortdurende boosheid.
Als gevoelig kind pikte ik die op.
Ik maakte haar tot de mijne.
Zo raakte ik langzaam verwijderd van mijn eigen Bron.
Het leven liet dit niet in één keer zien.
Het openbaarde zich laag voor laag:
door ervaringen,
door stiltes,
door pijn,
door inzichten.
En met dat inzicht kwam mildheid.
Ook de ander handelde vanuit onbewustheid.
Ook hij of zij was afgesneden geraakt van de eigen innerlijke Bron.
We deden beiden wat we konden,
met het bewustzijn dat we toen hadden.
Wat mij nu raakt, in deze levensfase, is de vraag:
Kan ik terugkeren?
Kan ik opnieuw leren onderscheiden wat van mij is en wat niet?
Kan ik mij weer afstemmen op die stille plek in mij
die niet reageert,
niet redt,
niet draagt —
maar eenvoudig is?
Misschien is dat wat deze fase van het leven mij brengt:
de uitnodiging om terug te keren naar mijn eigen ziel.
Lang heb ik gevoelens gedragen die niet uit mijn eigen kern kwamen.
Ze waren niet van mij, en toch droeg ik ze mee.
Er was niets mis met mij.
Ik was gewoon gevoelig,
gevoelig genoeg om te voelen wat de ander niet kon dragen.
Nu keer ik terug naar binnen.
Naar die stille plek in mij die altijd al aanwezig was.
Naar de Bron die ons allen draagt,
die altijd wacht, stil en onvoorwaardelijk,
om mij opnieuw te laten voelen wie ik werkelijk ben.