Er zit een merkwaardige spanning in reizen. We kijken ernaar uit, plannen het zorgvuldig, laten ons inspireren door verhalen van anderen en door beelden van verre of bijzondere plekken. En toch gebeurt het soms dat je onderweg denkt: waarom doen we dit eigenlijk?

Die vraag stelde consultant en schrijver Marianne Janssen zichzelf na een maand reizen door Frankrijk en Spanje. In haar essay Is het leven elders leuker? in het Financieele Dagblad beschrijft ze hoe een zorgvuldig geplande reis langs verschillende steden onverwacht een licht onbevredigend gevoel achterliet. Niet omdat alles tegenviel. Integendeel: er waren prachtige musea, goed eten en mooie steden. Maar toch bleef de vraag hangen: wat zoeken we eigenlijk wanneer we reizen?
Het is een vraag die veel groter is dan één reis. Het is een vraag over nieuwsgierigheid, identiteit, status, ontsnapping en misschien zelfs over zingeving.
Reizen hoort al zo lang bij de mens dat het bijna vanzelfsprekend lijkt. Handelaren trokken langs karavaanroutes, pelgrims liepen naar heilige plaatsen en aristocraten maakten in de achttiende eeuw hun beroemde Grand Tour langs Europese cultuursteden.
Maar de motieven achter reizen waren nooit alleen praktisch. Vaak ging het om een zoektocht naar iets dat thuis niet te vinden leek.
De Nederlandse filosoof Ruud Welten beschrijft dat verlangen in zijn boek Het ware leven is elders. Hij verwijst daarbij naar een idee dat al in de literatuur van de negentiende eeuw opduikt: de gedachte dat ergens anders een rijker, betekenisvoller leven mogelijk is.
Die gedachte werkt nog steeds door.
De belofte van reizen is vaak impliciet: daar, op die andere plek, gebeurt het echte leven.
Filosofen zijn het daar overigens niet over eens.
De Romeinse filosoof Seneca was sceptisch. Volgens hem verandert reizen weinig aan wie je bent. Je neemt jezelf immers overal mee naartoe. Wie rusteloos of ongelukkig is, blijft dat ook in een andere stad.
De Franse denker Michel de Montaigne zag dat anders. Reizen kan volgens hem juist helpen om jezelf beter te begrijpen, maar alleen als je onderweg nadenkt over wat je ziet en hoe dat verschilt van je eigen wereld.
Met andere woorden: reizen op zichzelf verandert weinig. De betekenis ontstaat pas wanneer je reflecteert.
Een belangrijk motief achter modern reizen is de zoektocht naar authenticiteit.
Veel reizigers hopen iets te ervaren dat thuis ontbreekt: een andere cultuur, een ander tempo van leven, een andere manier van kijken naar de wereld. Daarom zoeken we lokale restaurants, kleine straatjes, markten en plekken waar ‘de echte bewoners’ komen.
Maar hier ontstaat een paradox.
Zoals Janssen in haar FD-essay beschrijft, wordt dat gevoel van authenticiteit vaak zorgvuldig gecreëerd door de toeristische industrie. Advertenties, reisgidsen en sociale media vormen al vooraf een beeld van de bestemming.
We denken dat we spontaan ontdekken, terwijl we vaak precies volgen wat anderen ons hebben aanbevolen.
De ‘geheime tip’ blijkt meestal een plek waar honderden anderen tegelijk dezelfde tip hebben opgevolgd.
Daarom willen veel mensen liever geen toerist genoemd worden.
We zien onszelf liever als reiziger, ontdekker, misschien zelfs een beetje als tijdelijke inwoner. Wanneer een barista ons na een paar dagen herkent, voelt dat als een kleine overwinning: zie je wel, we horen hier een beetje bij.
Maar uiteindelijk blijft het verschil bestaan. Zoals Janssen schrijft: je bent geen local. Je kijkt naar een stad van een afstand en vertrekt daarna weer.
De schrijver Ilja Leonard Pfeijffer beschreef dit treffend in Grand Hotel Europa, waarin Europese steden veranderen in musea voor bezoekers. Bewoners worden figuranten, toeristen de hoofdrolspelers.
Naast nieuwsgierigheid speelt er vaak nog iets anders mee: ontsnapping.
Veel mensen reizen omdat ze even afstand willen nemen van hun dagelijkse leven. Werkdruk, routines en verplichtingen verdwijnen tijdelijk wanneer je in een andere omgeving bent.
Janssen herkent dat zelf ook. Tijdens haar jaren in het bedrijfsleven voelde ze soms een sterke behoefte om letterlijk afstand te nemen van haar werk. Ver weg reizen hielp om mentaal los te komen van die druk.
Maar zodra die druk minder werd, veranderde ook haar reisbehoefte. De drang om ver weg te gaan nam af.
Dat roept een interessante vraag op: reizen we ergens naartoe of ergens vandaan?
Er is nog een motief dat we minder vaak benoemen: status.
Reizen is tegenwoordig een norm geworden. Het laat zien dat je de middelen hebt om het te doen: tijd, geld en vrijheid. Net zoals aristocraten ooit pronkten met hun Grand Tour, laten mensen vandaag hun reizen zien via foto’s en verhalen.
Dat maakt reizen soms ook een sociale activiteit. We reizen niet alleen voor onszelf, maar ook om te laten zien dat we meedoen.
Het verrassende slot van Janssens verhaal is dat haar meest ontspannen vakantie uiteindelijk geen verre reis was.
Toen haar ouders een zomer in haar huis verbleven, besloot ze zelf in Amsterdam te blijven. Ze werd toerist in haar eigen stad: strand, musea, terrasjes.
En misschien, schrijft ze, ligt daar een belangrijke les. We zoeken vaak iets dat ver weg lijkt te liggen, terwijl het soms dichterbij is dan we denken.
Reizen speelt voor veel Proudies een belangrijke rol. Het kan vrijheid betekenen, inspiratie, avontuur of juist rust.
Daarom zijn we benieuwd:
Misschien reizen we uiteindelijk niet alleen om andere plekken te zien.
Misschien reizen we vooral om anders naar ons eigen leven te kijken.
Bronnen