We zijn partner, ouder, grootouder, vriend, collega, mantelzorger of vrijwilliger. Al die rollen samen vormen een deel van wie we zijn. Wanneer het werkzame leven eindigt, lijkt het daarom logisch dat ook onze identiteit flink verandert. Toch blijkt die omwenteling in de praktijk minder groot dan vaak wordt gedacht.

Onderzoekers volgden bijna vierduizend Zweedse volwassenen rond de pensioenleeftijd. Vier jaar lang keken zij welke sociale rollen mensen hadden en hoeveel betekenis zij daaraan gaven. De uitkomst: de meeste rollen bleven opvallend stabiel. Er vond geen grote sociale omwenteling plaats, eerder een voorzichtige herschikking. Familie bleef belangrijk, werk verloor aan gewicht en vriendschap schoof langzaam naar voren.
Wie ben je als het werk stopt?
Voor veel mensen is dat geen eenvoudige vraag. Een beroep geeft meer dan een inkomen. Het bepaalt het ritme van de week, brengt vanzelfsprekende contacten met zich mee en geeft een positie in de wereld. Je bent de docent die generaties leerlingen heeft begeleid, de arts naar wie collegaβs luisteren of de ondernemer die iedere ochtend weet waar hij nodig is.
Toch bestaat een identiteit uit meer dan werk. We zijn ook vriend, broer, zus, ouder, partner, grootouder, buur of lid van een vereniging. Sommige rollen vragen dagelijks aandacht. Andere zijn minder zichtbaar, maar blijven van grote betekenis.
Precies dat onderscheid stond centraal in een nieuwe studie in het wetenschappelijke tijdschrift Ageing & Society. De onderzoekers keken niet alleen naar de rollen die mensen vervulden, maar ook naar de plaats die deze rollen innamen in hun persoonlijke identiteit.
Een rol kan immers blijven bestaan zonder nog veel tijd te vragen. Iemand kan zichzelf sterk als grootouder zien, ook wanneer de kleinkinderen ver weg wonen. En een voormalig beroep kan nog jaren belangrijk voelen, zelfs wanneer de agenda allang niet meer door werk wordt bepaald.
Voor het onderzoek werden gegevens gebruikt van de Zweedse HEARTS-studie, een langlopend onderzoek naar gezondheid, ouder worden en pensionering.
De uiteindelijke onderzoeksgroep bestond uit 3.882 volwassenen. Bij de eerste meting waren zij gemiddeld bijna 67 jaar oud. Gedurende het onderzoek bevonden de deelnemers zich grofweg tussen hun 64ste en 74ste levensjaar.
In 2019, 2020 en 2023 beoordeelden zij negen sociale rollen: partner, broer of zus, ouder, vriend, grootouder, mantelzorger, vrijwilliger, werknemer of voormalig werknemer en actief lid van een vereniging of organisatie.
Bij iedere rol gaven de deelnemers op een schaal van één tot vijf aan hoe belangrijk deze op dat moment voor hen was. De onderzoekers maakten daarbij onderscheid tussen het aantal rollen, het aantal rollen dat als zeer belangrijk werd beschouwd en de relatieve betekenis van iedere rol ten opzichte van alle andere rollen in iemands leven.
Dat laatste is belangrijk. Een vriendschap kan even waardevol blijven als voorheen en toch een centralere plaats krijgen doordat werk minder belangrijk wordt.
Bij de eerste meting hadden de deelnemers gemiddeld 6,6 van de onderzochte rollen. Ruim drie daarvan beschouwden zij als zeer belangrijk. De gemiddelde waardering van alle rollen samen was 4,14 op een schaal van vijf.
Vooral partner, ouder, grootouder en vriend werden vaak genoemd en hoog gewaardeerd. Rollen rond werk, mantelzorg, vrijwilligerswerk en verenigingen verschilden sterker van persoon tot persoon.
Tussen 2019 en 2023 nam het gemiddelde aantal rollen iets af. Ook het aantal rollen dat deelnemers als zeer belangrijk beschouwden daalde. De gemiddelde waardering van alle rollen samen ging eveneens licht omlaag.
Die veranderingen waren statistisch aantoonbaar, maar klein. De sociale identiteit van de deelnemers raakte dus niet plotseling ontmanteld zodra zij ouder werden of met pensioen gingen. De meeste rollen bleven aanwezig en behielden grotendeels hun betekenis.
Dat is misschien wel de opvallendste conclusie van het onderzoek. De jaren rond pensionering brengen allerlei veranderingen met zich mee, maar de mensen en verbanden waaraan we onze identiteit ontlenen blijken behoorlijk duurzaam.
De rollen van partner, ouder en grootouder bleven gedurende de onderzoeksperiode belangrijk. Hun relatieve betekenis veranderde nauwelijks.
De praktische invulling van zoβn rol kan ondertussen wel degelijk verschuiven. Volwassen kinderen hebben hun ouders niet meer nodig voor de dagelijkse zorg. Kleinkinderen worden ouder en gaan hun eigen weg. Een relatie krijgt na pensionering soms een ander ritme, zeker wanneer partners ineens veel meer tijd samen doorbrengen.
Toch verdwijnt de onderliggende identiteit niet zomaar. Je blijft ouder, ook wanneer je kinderen al tientallen jaren op zichzelf wonen. Je blijft grootouder, ook als je je kleinkinderen niet wekelijks ziet.
De rol van broer of zus vormde een uitzondering. Deze werd gemiddeld minder belangrijk gevonden dan andere familierollen. Volgens de onderzoekers kan dat te maken hebben met het relatief vrijwillige karakter van de band tussen volwassen broers en zussen. Er is vaak een gedeelde geschiedenis, maar niet altijd een dagelijkse verantwoordelijkheid.
De vriendenrol kreeg gedurende de vier onderzochte jaren relatief meer betekenis. Dat wil niet zeggen dat deelnemers hun vriendschappen plotseling veel hoger waardeerden. De absolute waardering veranderde nauwelijks. Vriendschap werd vooral belangrijker in verhouding tot de andere rollen in hun leven.
Dat is een kleine, maar wezenlijke nuance.
Wanneer werk naar de achtergrond verdwijnt, verandert de onderlinge rangorde van rollen. Contacten die eerder naast een volle werkweek bestonden, kunnen een centralere plaats innemen. Niet omdat vriendschap ineens iets anders is geworden, maar omdat andere vaste structuren minder ruimte opeisen.
De onderzoekers wijzen ook op het vrijwillige karakter van vriendschappen. Familiebanden bestaan vaak onafhankelijk van de vraag of we daar bewust voor kiezen. Vriendschappen vragen om wederzijdse aandacht en worden doorgaans gedragen door gezelschap, herkenning en gedeelde belangstelling.
Mensen die meer steun van vrienden ervoeren, vonden de vriendenrol gemiddeld ook belangrijker. Andersom is eveneens denkbaar: wie veel waarde aan vriendschap hecht, investeert er waarschijnlijk meer tijd en aandacht in. Het onderzoek kan niet vaststellen wat daarin oorzaak en wat gevolg is.
De duidelijkste daling was zichtbaar bij de rol van werknemer of voormalig werknemer. De deelnemers bevonden zich rond de overgang naar pensionering en bij de eerste meting was 72 procent al met pensioen.
De afname van de werkrol kwam echter niet uitsluitend doordat deelnemers gedurende het onderzoek stopten met werken. Ook toen de onderzoekers alleen keken naar mensen wier arbeidsstatus gelijk bleef, verloor werk relatief aan betekenis.
Dat zegt niet dat een loopbaan na de laatste werkdag geen rol meer speelt. Een beroep kan lang onderdeel blijven van hoe iemand zichzelf ziet. De dagelijkse urgentie neemt alleen af. Er zijn geen vergaderingen meer om voor te bereiden, geen collegaβs die iets nodig hebben en geen organisatie die iedere ochtend vanzelf richting geeft.
De studie laat zien dat werk gemiddeld minder centraal kwam te staan. Of mensen daar bewust voor kozen, zich gemakkelijk aanpasten of juist moeite hadden met dat verlies, werd niet onderzocht. Evenmin kunnen de onderzoekers vaststellen welke andere rollen de plaats van werk precies overnamen.
De rol van mantelzorger verloor eveneens relatief aan betekenis. Achter die gemiddelde beweging kunnen heel verschillende verhalen schuilgaan.
Een zorgperiode kan eindigen omdat professionele ondersteuning een groter deel van de taken overneemt. Soms herstelt degene die zorg ontvangt. Soms verslechtert de gezondheid van de mantelzorger zelf. En soms eindigt de zorg door een overlijden.
Het onderzoek laat niet zien welke gebeurtenissen bij de afzonderlijke deelnemers speelden. Daardoor zegt de daling ook niets over de manier waarop zij deze verandering ervoeren. Het einde van een zorgperiode kan verdrietig zijn, maar tegelijkertijd ruimte en verlichting brengen.
Juist bij mantelzorg wordt duidelijk hoe weinig een gemiddelde uitkomst vertelt over een individueel leven.
Naast vriendschap nam ook de relatieve betekenis van vrijwilligerswerk licht toe.
Ook hier gaat het niet noodzakelijk om meer uren vrijwilligerswerk of een sterke stijging van het aantal vrijwilligers. Het onderzoek laat alleen zien dat de rol van vrijwilliger een iets centralere plaats kreeg tussen de andere rollen die mensen vervulden.
Dat past bij een levensfase waarin werk minder vanzelfsprekend structuur en sociale contacten biedt. Vrijwilligerswerk kan een plek geven om kennis te gebruiken, nieuwe mensen te ontmoeten en onderdeel te blijven van een groter geheel. De studie onderzocht deze mogelijke voordelen niet rechtstreeks, maar wijst wel op de veranderende plaats van vrijwilligerswerk in de identiteit.
Niet iedereen heeft dezelfde ruimte om verschillende sociale rollen op te bouwen en te onderhouden.
Deelnemers met een partner en mensen die veel steun van familie of vrienden ervoeren, rapporteerden gemiddeld meer belangrijke rollen. Ook persoonlijkheidskenmerken als extraversie, vriendelijkheid en consciΓ«ntieusheid hingen samen met het hebben van meer rollen die als belangrijk werden beschouwd.
Dit zijn verbanden, geen eenvoudige oorzaken. Het onderzoek zegt niet dat iemand door extraverter te worden automatisch een rijker sociaal leven krijgt. Gezondheid, mobiliteit en de mensen die toevallig in iemands omgeving aanwezig zijn, bepalen mede welke rollen mogelijk zijn.
De onderzoekers konden bovendien niet voorspellen bij wie de betekenis van rollen tijdens de vier jaar het sterkst zou veranderen. De kenmerken die samenhingen met verschillen tussen mensen verklaarden dus niet waarom de ene deelnemer een grotere verschuiving doormaakte dan de andere.
Wie veel betekenisvolle rollen heeft, beschikt mogelijk over verschillende bronnen van contact, steun en erkenning. Tegelijkertijd brengt iedere rol verwachtingen met zich mee. Partner, grootouder, mantelzorger, vrijwilliger en verenigingslid zijn kan een rijk leven opleveren, maar ook een volle agenda.
Dit onderzoek stelde niet vast hoeveel rollen ideaal zijn. Het onderzocht evenmin of deelnemers met meer rollen gelukkiger, gezonder of minder eenzaam waren.
Ook werd niet gemeten hoeveel vrienden iemand had, hoe vaak mensen elkaar zagen of hoe goed de afzonderlijke relaties waren. Daarover kunnen op basis van deze studie dan ook geen conclusies worden getrokken.
Wat het onderzoek wΓ©l laat zien, is dat het aantal rollen en de betekenis ervan twee verschillende zaken zijn. Het gaat niet uitsluitend om hoeveel plaatsen je in het leven inneemt, maar ook om de waarde die je zelf aan die plaatsen geeft.
Het onderzoek geeft geen stappenplan voor een goede pensionering. Toch legt het een interessante vraag op tafel.
Voor het financiΓ«le deel van het pensioen worden vaak jaren van tevoren berekeningen gemaakt. We denken na over inkomen, pensioenopbouw, woonlasten en de gewenste stopdatum. De sociale kant krijgt meestal minder voorbereiding.
Welke contacten blijven bestaan wanneer het werk wegvalt? Waar komt het ritme van de week straks vandaan? Welke rol wil je behouden, welke mag kleiner worden en voor welk deel van jezelf ontstaat eindelijk ruimte?
Dat zijn geen vragen die pas na de laatste werkdag relevant worden. Juist vΓ³Γ³r het pensioen kan het waardevol zijn om te kijken welke rollen volledig aan het werk verbonden zijn en welke daarbuiten al stevig genoeg staan.
Een nieuwe agenda hoeft niet onmiddellijk vol met cursussen, commissies en vaste verplichtingen. De studie laat juist zien dat onze sociale identiteit doorgaans niet volledig opnieuw hoeft te worden opgebouwd. Veel blijft bestaan. De kunst zit waarschijnlijk meer in het onderhouden, verdiepen en soms opnieuw rangschikken van wat er al is.
De studie was verkennend en de gevonden veranderingen waren overwegend klein. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of dezelfde patronen ook in andere groepen en over langere perioden zichtbaar blijven.
De deelnemers kwamen uit Zweden en bevonden zich in een relatief smalle leeftijdsgroep. Zij waren bovendien gemiddeld iets hoger opgeleid en gezonder dan de oorspronkelijke groep die voor de HEARTS-studie werd benaderd. De uitkomsten kunnen daarom niet zonder meer worden toegepast op veel oudere mensen, mensen met ernstige gezondheidsproblemen of mensen die in een ander sociaal en economisch stelsel leven.
Een aanvullende kanttekening is dat een van de drie metingen in 2020 plaatsvond. De coronapandemie kan sociale contacten, verenigingsleven, vrijwilligerswerk en mantelzorg hebben beΓ―nvloed. De onderzoekers hebben dat effect in deze studie niet afzonderlijk onderzocht.
Ten slotte keek het onderzoek naar gemiddelde ontwikkelingen. Achter een kleine gemiddelde verschuiving kunnen grote persoonlijke veranderingen schuilgaan. Voor de één betekent pensionering vooral rust. Voor de ander verdwijnt in korte tijd een belangrijk deel van de dagelijkse identiteit.
De meeste rollen die rond ons pensioen belangrijk zijn, blijven dat ook. Familie behoudt haar plaats. Vriendschap krijgt relatief meer gewicht. Werk en mantelzorg schuiven naar de achtergrond en vrijwilligerswerk kan iets centraler komen te staan.
Het is geen totale heruitvinding van wie we zijn. Eerder een verschuiving in de rangorde.
Misschien is dat een geruststellende gedachte. Na je werkzame leven begin je niet opnieuw met een leeg vel. Veel van wie je bent, reist gewoon met je mee. Alleen de vraag welke rol voortaan vooraan mag staan, komt opnieuw open te liggen.
Dit artikel is gebaseerd op Jeroen H.M. Janssen, Flavia S. Chereches, Gabriel Olaru, Isabelle Hansson en Yvonne Brehmer, Social roles and role importance in later life: a longitudinal analysis of stability and change, gepubliceerd op 8 juli 2026 in Ageing & Society door Cambridge University Press.
β