Er is een unieke groep ouderen wiens geheugen en denkvermogen bijna onverminderd scherp blijven, zelfs op hoge leeftijd. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, namelijk dat het brein met het ouder worden onvermijdelijk achteruitgaat, blijkt uit nieuw onderzoek dat sommige hersenen juist opmerkelijk goed in staat zijn om nieuwe neuronen te vormen en hun geheugen te behouden.

De term Super-Agers verwijst naar mensen van 80 jaar en ouder die cognitieve prestaties hebben vergelijkbaar met die van volwassenen die tientallen jaren jonger zijn. In het bijzonder behouden zij geheugenvaardigheden die men normaal alleen bij veel jongere volwassenen verwacht.
In het New York Times-artikel benadrukt Dana G. Smith dat wetenschappers al ruim 25 jaar onderzoek doen naar dit fenomeen, waarbij neurologische afwijkingen en normale veroudering worden vergeleken met uitzonderlijke cognitieve veerkracht.
Wat dit recente onderzoek krachtig maakt, is dat het niet alleen kijkt naar cognitieve tests, maar ook naar de biologie van de hersenen zelf. Super-Agers bleken in hersenweefsels ongeveer twee keer zoveel nieuwe neuronen te hebben in een deel van het brein dat belangrijk is voor geheugen, de hippocampus; vergeleken met leeftijdsgenoten met normale geheugenfuncties.
Bovendien hadden zij ongeveer 2,5 keer meer nieuwe neuronen dan mensen met de ziekte van Alzheimer, wat suggereert dat hun hersenen niet alleen oude schade vermijden, maar ook actief nieuwe cellen blijven produceren.
Traditioneel dachten veel onderzoekers dat de productie van neuronen na de jeugd grotendeels stopt, dat het brein in volwassenheid geen grote nieuwe cellen meer zou aanmaken. Maar dit New York Times-onderzoek laat zien dat bij sommige mensen de capaciteit voor neurogenese (de vorming van nieuwe neuronen) tot op zeer hoge leeftijd actief blijft.
Het artikel citeert onderzoekers dat het behoud van een uitzonderlijk geheugen bij sommige ouderen mogelijk niet alleen het gevolg is van het voorkomen van schade, maar juist van het actief blijven genereren van nieuwe hersencellen in het geheugengebied van de hersenen.
Dit zet vraagtekens bij lange gevestigde ideeën over cognitieve veroudering en opent nieuwe onderzoekspaden naar manieren hoe het menselijk brein gezond en veerkrachtig kan blijven, ook ver voorbij de pensioenleeftijd.
Als we begrijpen waarom Super-Agers zo’n opmerkelijke cognitieve veerkracht hebben, kan dat leiden tot nieuwe inzichten in de vroege diagnose van neurodegeneratieve ziekten en misschien zelfs tot therapieën die geheugenverlies kunnen vertragen of voorkomen bij een bredere groep mensen.
Het New York Times-artikel onderstreept dat hoewel geheugenverlies en cognitieve achteruitgang vaak gezien worden als onvermijdelijke metgezellen van het ouder worden, er duidelijke aanwijzingen zijn dat dit niet voor iedereen hoeft op te gaan.