Wie vandaag zijn geboortedatum invoert in een zogeheten “death clock”, krijgt een ongemakkelijke boodschap: de kans is groot dat het leven aanzienlijk langer duurt dan gedacht. Voor kinderen die nu worden geboren, is de kans om honderd te worden zelfs groter dan vijftig procent. De cijfers zijn helder. Maar het levensmodel waarmee we dat lange leven proberen te structureren, is dat allerminst.

In haar essay “From Sprint to Marathon: Mapping Four Quarters of the 100-Year Life” stelt Avivah Wittenberg-Cox dat we nog altijd leven volgens een verouderd script. Het klassieke patroon — leren, werken, met pensioen — stamt uit een tijd waarin levens korter en overzichtelijker waren. In een wereld waarin honderd jaar leven steeds realistischer wordt, leidt dat model tot een ongezonde verdichting van verantwoordelijkheden.
Vooral de dertigers en veertigers van nu ervaren die spanning. In deze levensfase vallen carrière-opbouw, gezinsvorming en zorgtaken vaak samen. Het resultaat is een permanente spitsuurbelasting: alles gebeurt tegelijk, en alles lijkt urgent.
Volgens Wittenberg-Cox ligt het probleem niet bij individuen die het ‘niet goed organiseren’, maar bij een systeem dat niet meer aansluit op de realiteit van langere levens. De vraag is dus niet hoe we het tempo verhogen, maar hoe we het beter spreiden.
Het alternatief dat zij schetst, sluit aan bij inzichten van het Stanford Center on Longevity: een leven dat niet lineair verloopt, maar bestaat uit meerdere momenten van leren, werken, pauzeren en opnieuw beginnen. Wittenberg-Cox vertaalt dat naar een toegankelijk beeld: het leven als marathon, verdeeld in vier kwarten.
Die kwarten zijn geen vaste leeftijdsfasen, maar terugkerende bewegingen. Ze bieden houvast om een langer leven anders te organiseren — niet als één doorlopende lijn, maar als een reeks ritmes.
Het eerste kwart draait om verkennen en leren. Waar leren traditioneel wordt gezien als iets voor de eerste levensfase, pleit dit model voor een permanent leervermogen. Niet alleen jongeren, maar ook mid-career professionals en zestigers moeten zich opnieuw kunnen oriënteren, nieuwe vaardigheden ontwikkelen en zichzelf toestaan beginner te zijn. In een snel veranderende wereld is stilstand geen optie — maar voortdurende ontwikkeling evenmin vanzelfsprekend.
Daarop volgt het kwart van opbouwen en bijdragen. Dit is de fase waarin mensen waarde creëren, traditioneel via werk, maar in bredere zin ook via zorg, vrijwilligerswerk en maatschappelijke betrokkenheid. Opvallend is dat deze fase niet langer één aaneengesloten blok vormt. In plaats daarvan ontstaat een mozaïek van periodes waarin intensief wordt gewerkt, afgewisseld met andere accenten. De centrale vraag verschuift van ‘wat is mijn baan?’ naar ‘waar draag ik aan bij?’.
Tussen deze periodes door ligt een cruciaal, maar vaak onderbelicht kwart: herijken en heruitvinden. In het klassieke model is hier nauwelijks ruimte voor; doorgaan is de norm. In een 100-jaar-leven worden momenten van reflectie en koerswijziging echter onvermijdelijk. Mensen nemen afstand, stellen vragen over richting en identiteit, en beginnen soms opnieuw. Dat kan vrijwillig zijn — een sabbatical of carrièreswitch — maar ook gedwongen. Juist deze tussenruimte maakt duurzame ontwikkeling mogelijk.
Het vierde kwart richt zich op verdiepen en doorgeven. Waar dit traditioneel samenvalt met pensioen, krijgt het in dit model een actievere betekenis. Het gaat om zingeving, het delen van ervaring en het bijdragen op een andere manier. Niet als afsluiting, maar als volwaardige fase waarin vertraging en betrokkenheid samengaan. Ook deze fase kan eerder in het leven optreden, bijvoorbeeld wanneer mensen bewust kiezen voor meer betekenis en minder nadruk op prestatie.
Wat deze vier kwarten onderscheidt van traditionele levensfasen, is dat ze geen vaste volgorde kennen. Ze vormen geen ladder, maar een cyclus. Mensen bewegen er meerdere keren doorheen, afhankelijk van keuzes, kansen en omstandigheden.
Een veertiger kan opnieuw gaan studeren. Een zestiger kan een nieuwe carrière beginnen. En een dertiger kan behoefte hebben aan herijking. Het leven wordt daarmee minder voorspelbaar, maar ook rijker en flexibeler.
De implicatie van dit alles is fundamenteel. Als het leven langer wordt, verandert de betekenis van tijd. De druk om alles vóór een bepaalde leeftijd te bereiken, verliest zijn vanzelfsprekendheid. In plaats daarvan ontstaat ruimte voor spreiding, experiment en herstel.
Dat vraagt om een andere blik — niet alleen van individuen, maar ook van organisaties en instituties. Werkgevers, onderwijsinstellingen en beleidsmakers zullen hun structuren moeten aanpassen aan een leven dat niet langer in drie overzichtelijke fasen past.
Het essay van Wittenberg-Cox is daarmee geen handleiding, maar een uitnodiging. Om het leven niet langer te zien als een korte sprint waarin alles tegelijk moet, maar als een lange marathon waarin tempo, richting en betekenis zich blijven ontwikkelen.
Bron:
Avivah Wittenberg-Cox, “From Sprint to Marathon: Mapping Four Quarters of the 100-Year Life”, gepubliceerd op LinkedIn (2025/2026).