Het is een begrip dat inmiddels is doorgedrongen tot managementboeken, sportpsychologie en zelfhulp: flow. Toch is het concept minder zweverig dan het soms wordt gepresenteerd. De term werd in de jaren zeventig geïntroduceerd door de Hongaars-Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi, die wilde begrijpen wanneer mensen zich werkelijk betrokken en tevreden voelen.

Zijn conclusie was opvallend nuchter: mensen zijn het gelukkigst wanneer ze volledig opgaan in een activiteit die hun vaardigheden aanspreekt en tegelijkertijd uitdaagt. Dat noemde hij flow. In zijn boek Flow (1990) werkte hij dit verder uit.
Flow is geen euforie en geen ontspanning. Het is een toestand van geconcentreerde aandacht. De kenmerken zijn consistent:
Cruciaal is de balans tussen uitdaging en vaardigheid. Is een taak te eenvoudig, dan ontstaat verveling. Is zij te moeilijk, dan volgt stress. Flow bevindt zich precies in het spanningsveld daartussen.
Die balans verklaart waarom mensen flow ervaren tijdens complexe werkzaamheden, maar ook bij schaken, hardlopen, musiceren of koken voor een groot gezelschap.
In de praktijk ervaren veel mensen flow vooral in hun werkzame leven. Niet per se omdat werk op zichzelf bevredigender is, maar omdat werk structuur en uitdaging biedt. Deadlines, verantwoordelijkheid en duidelijke doelen creëren vanzelf de voorwaarden voor geconcentreerde betrokkenheid.
Dat roept een relevante vraag op voor mensen die niet meer werken: verdwijnt flow wanneer het werk stopt?
Het antwoord is genuanceerd.
Na het werkzame leven verdwijnen de externe kaders. Er zijn minder opgelegde doelen, minder druk, minder noodzaak om te presteren. Dat kan bevrijdend zijn, maar ook leiden tot een zekere vlakheid. Zonder uitdaging geen flow.
Flow vraagt namelijk inspanning. Het is geen toestand die ontstaat tijdens passief consumeren. Televisiekijken of doelloos scrollen leveren zelden dezelfde concentratie en voldoening op als activiteiten waarbij vaardigheden worden ingezet en ontwikkeld.
Voor wie met pensioen is, verschuift de verantwoordelijkheid voor flow dus van organisatie naar individu. Dat betekent: zelf zorgen voor projecten, leerdoelen, sociale betrokkenheid of creatieve uitdagingen.
Voorbeelden liggen voor de hand:
De kern is niet bezigheid, maar betrokkenheid.
Onderzoek naar veroudering laat zien dat cognitieve en emotionele vitaliteit samenhangen met actieve betrokkenheid. Flow-ervaringen dragen daaraan bij. Ze stimuleren concentratie, bevorderen leerprocessen en verminderen piekeren.
Daarmee is flow niet alleen een bron van voldoening, maar ook van mentale gezondheid.
Opvallend is bovendien dat oudere volwassenen vaak beter weten waar hun sterke kanten liggen. Waar werkende dertigers nog zoeken naar positie en erkenning, hebben zestigers en zeventigers vaker een helder beeld van hun competenties. Dat maakt het, paradoxaal genoeg, soms eenvoudiger om activiteiten te kiezen die precies de juiste mate van uitdaging bieden.
De grootste bedreiging voor flow na het werkzame leven is niet gebrek aan tijd, maar een teveel aan comfort. Zonder noodzaak tot inspanning kan het leven comfortabel, maar ook voorspelbaar worden.
Flow vraagt om een zekere frictie: een taak die aandacht opeist, een doel dat net niet vanzelf gaat. Wie die frictie bewust opzoekt, vergroot de kans op betekenisvolle ervaringen.
Flow is geen modeterm. Het is een beschrijving van een fundamentele menselijke behoefte: het verlangen om competent te zijn en ergens in op te gaan.
Of iemand nog werkt of niet, is daarbij secundair. Wat telt is de aanwezigheid van activiteiten die concentratie, vaardigheid en uitdaging combineren.
Voor proudies – mensen die hun latere levensfase bewust willen vormgeven – ligt daar een duidelijke opdracht. Niet om druk te blijven, maar om betrokken te blijven. Niet om prestaties te stapelen, maar om activiteiten te kiezen waarin men zichzelf kan verliezen.
Flow blijkt dan geen privilege van de werkvloer, maar een structurele bouwsteen van een zinvol leven – op elke leeftijd.